De Werkgroep Humane Bewegingsfunctionaliteit (HBF)

De Therapie Humane Bewegingsfunctionaliteit

Terug naar de introductiepagina: Bewegingsfunctionaliteit

Terug naar: Colleges

Zie voor aanvullende en nieuwe inzichten ook:  Vitale Reciprociteit  Deel 1 en Vitale Reciprociteit  Deel 2

 

Door C. G. de Graaf

Copyright: C. G. de Graaf / Inst. Humane Bewegingsfunctionaliteit

In twee casussen zal ik behandeling volgens de methode humane bewegingsfunctionaliteit uitleggen.

De eerste casus betreft een patiŽnte met zogenoemd Ďpsychosomatische klachtení en zogenoemd Ďfobisch gedragí.

Dat wij met de naamgeving niet gelukkig zijn moge blijken uit het vervolg en andere publicaties op deze site.

De andere patiŽnt heeft rugklachten met pijn in het rechter been.

Tijdens de behandeling van de twee casussen zal ik U een globaal inzicht geven hoe de lijfsorganisatie zich organiseert van excentrisch functioneren

naar centrisch functioneren door de tactiele behandeling.

Belangrijke opmerkingen vooraf.

1.  De spiertonusregulatie van het lijf van de patiŽnt stelt zich tijdens de behandeling zoekend in op mijn handen door variabele spiertonus veranderingen en

door het maken van kleine bewegingen in de gewrichten.

Beide vormen worden door mij waargenomen. 

2.   Uitvoerige analyse van video-opnamen leerde ons, dat voor een adequate houdings- en bewegingsfunctionaliteit

(dit is in onze termen: uitgevoerd in centrische positionaliteit) het volgende biomechanische principe geldt: het steunpunt van waaruit bewogen wordt naar

een omgevingsobject is altijd buiten het lijf gelegen. 

3.   Bij excentrische positionaliteit is het steunpunt van waaruit bewogen wordt in het lijf gelegen.

Een excentrisch functionerende patiŽnt houdt onbewust het lijfsdeel dat in interactie is met de omgeving vanuit een star gehouden lijfsdeel in de greep.

Het lijfsdeel dat in interactie is wordt vanuit dat star gehouden andere lijfsdeel in zijn bewegingsvrijheid beperkt en dus gestuurd. 

4.   Verder zal ik herhaaldelijk het begrip Ďinadembewegingí gebruiken in een bredere betekenis dan in de spreektaal gebruikelijk is. ĎInadembewegingí wordt

gebruikt voor een veelheid van bewegingen die voor een optimale inademing voorwaarde is en/of het gevolg ervan, en die waarneembaar is in nagenoeg

alle weefsels van het lichaam.

Daarbij is belangrijk dat men zich realiseert dat verandering van inademing een onderdeel is van iedere oriŽntatiereactie. 

 

De Therapie HBF voor een patiŽnt met z.g. 'psychosomatische' klachten en z.g. 'fobisch gedrag'.

Mevrouw L.52 jaar.

Waarom is patiŽnte naar mij toegestuurd?

PatiŽnte vertelde mij dat zij zich de laatste twintig jaar lamlendig voelde voornamelijk tijdens rustige bezigheden en bij rust.

Waar zij het meest last van had waren de aanvallen van benauwdheid, die na spanning en drukke werkzaamheden ontstonden.

Het verblijf in een (kleine of grote) ruimte riep bij haar steeds een angstaanval op waarbij de ademhaling volledig verstoord was.

Verder vertelde patiŽnte dat zij zich niet kon concentreren.

Gedurende de gehele dag had patiŽnte pijn in de regio van haar schouders, pijn in de nek en voorhoofdspijn, ook was zij regelmatig misselijk.

Maar tijdens drukke werkzaamheden namen de klachten flink af.

PatiŽnte is uitvoerig door de internist en cardioloog onderzocht.

Er zijn geen objectiveerbare aanwijzingen voor haar klachten gevonden.

De therapie tot nu toe:

Medicatie gaf geen verlichting van de klachten maar bracht wel sufheid voort.

Zij is een jaar door een psycholoog behandeld voor haar klachten.

PatiŽnte is regelmatig en langdurig fysiotherapeutisch behandeld voor de pijn en voor het aanleren van een goed adempatroon.

Deze behandelingen hadden haar niet geholpen.

Voordat ik U het concept voor de behandeling volgens de humane bewegingsfunctionaliteit beschrijf, wil ik U meedelen dat patiŽnte na zeven behandelingen

(gedurende drie maanden)

niet meer benauwd was, er geen angst aanvallen meer optraden tijdens het verblijf in een ruimte en de pijn verdwenen was.

Onze uitgangspunten leiden tot de volgende beschrijving van de klachten.

PatiŽnte kent een pijnlijk lijf en een disfunctionerend lijf tijdens het niets om handen hebben en tijdens het verblijf in een kleine of in een grote ruimte,

d.w.z. in rust en  tijdens het verblijf in een ruimte kan zij niet zelf dingen uit de omgeving tot object voor zich maken.

Ons dagelijks leven bestaat uit: waarnemen-van, bewegen-naar, tasten-naar, zich voegen-in en voegen-naar omgevingsobjecten.

PatiŽnte kan dit alleen op een gespannen wijze als drukke werkzaamheden haar aandacht daarvoor opeisen.

PatiŽnte is dus in rust niet (meer) uit zichzelf gericht op de dingen in de wereld, waarin zij zich beweegt.

Zij functioneert dus niet meer gericht op dingen buiten zichzelf, zodat haar aandacht bijna vanzelf getrokken wordt naar haar eigen functioneren zonder object.

Maar dat is nu juist een extreme omschrijving van functioneren in excentrische positionaliteit.

En dat betekent onoverkomelijk dat zij haar functioneren gaat sturen.

Voor dat sturen maakt patiŽnte aangrijpingspunten in haar lijf die als startpunten dienen om van daaruit het bewegen te sturen.

Het controleren van dat bewegen is voor haar zogenaamd veilig, maar daardoor disfunctioneert ze in bovengenoemde situaties.

Tijdens het niets om handen hebben en het verblijf in de genoemde ruimten neemt de onlust op basis van haar excentrisch functioneren toe.

Hoe meer zij tracht de onlust te voorkomen des te excentrischer functioneert zij.

Ook in het dagelijkse leven houdt patiŽnte, onbewust, zichzelf sturend in de gaten, waardoor zij niet vitaal functioneert.

Doordat zij delen van haar lijf vastzet om van daaruit te bewegen wordt het bewegingsapparaat verkeerd belast. 

Anders functioneren/communiceren dan zo is niet mogelijk.

Dit disfunctioneren is oorzaak van pijn en houdt de pijn in stand.

De therapie zal dan ook niet direct gericht moeten zijn op haar pijn of op disfunctioneren van het lijf tijdens het niets om handen hebben of

tijdens het verblijf in een ruimte.

Om de oude vertrouwde manier van omgaan met de werkelijkheid weer mogelijk te maken, zal niet haar reagerend-Ďzelfí daarop moeten worden aangesproken.

Het reagerend-Ďzelfí roept immers hŠŠr vorm van aanpassing op, omdat ze niet anders kan omgaan met de werkelijkheid dan op hŠŠr wijze.

De oorspronkelijke, spontane niet van Ďboven afí gestuurde reactiepatronen, waarover ieder lichaam beschikt, zullen weer gewekt moeten worden.

Hoe kan dat?

Ik doe niets waar de patiŽnt grip op heeft. Dat wil zeggen, dat ik een plaats en een vorm van tactiel contact zoek, die zo vreemd zijn, dat die zo volledig

mogelijk buiten haar dagelijkse belevingswereld liggen, zodat haar excentrisch reagerend 'zelf' daarvoor geen reactie-patroon voorhanden heeft.

Wat ik doe is behoedzaam haar kuitweefsel aanraken met respect voor de regulatie van de spiertonus. 

De tonusregulatie van het aangeraakte weefsel moet geŽerbiedigd worden door behoedzaam en respectvol aanraken.

Via het aangeraakte weefsel zoekt en stelt haar organisme zich in op de handen, op haar wijze.

Mijn handen communiceren vooral niet opzettelijk met haar.

De handen nodigen niet uit en er is geen verwachtingspatroon. Aanvankelijk wordt nergens naar gestreefd en nergens wordt betekenis aan gegeven,

voor zover dat mogelijk is.

De eerste behandeling.

Voor de behandeling leg ik aan patiŽnte uit dat ik heel rustig, in haar geval, haar kuit aanraak en waarom deze niet veelzeggende langdurige behandeling

haar kan helpen.

Haar voet zal later in de therapie worden betrokken.

Bij deze patiŽnte, die op de buik ligt, raken mijn handen veertig minuten lang heel licht haar kuit aan, af en toe wisselend van plaats.

Mijn handen voegen zich aanvankelijk niet in en naar haar weefsel.

Haar kuitweefsel reageert met spiercontracties en er ontstaan adembewegingen die voelbaar zijn in de kuit.

Haar inadembeweging is paradoxaal dat wil zeggen het is een persbeweging.

Waarom is de inadembeweging paradoxaal?

Het is een paradoxaal uitgevoerde functie omdat de musculatuur geen ruimte schept voor inademing en het organisme dus inademend de inademing belemmert.

De weerstand tegen de inadembeweging wordt veroorzaakt doordat in de buik-, bil- en bekkenbodemspieren en beenmusculatuur aan de aangeraakte

kant een verhoogde spierspanning is opgeroepen door mijn aanraking.

Het bekken kantelt daardoor achterover. Die tonusverhoging is ook aanwezig in de kuit. Dit geheel verraadt een sterke,

afwerende betrokkenheid op mijn aanraking.

De plaats waar de inadembeweging wordt belemmerd vormt het steunpunt waar vandaan de patiŽnt onbewust pogingen doet om de spiertonus van

het aangeraakte weefsel te reguleren.

Hoe hoger de weerstand wordt (door het aanspannen van de buik-, bil- en bekkenbodemmusculatuur) hoe meer Ďde persooní moet persen om

de kuit te controleren en des te nadrukkelijker wordt de excentrische positionaliteit.

Gedurende enige tijd is het alsof het gladde, ronde en strakke weefsel tegen mijn handen gedrukt wordt door de geremde inadembewegingen.

Dan wordt het weefsel zachter, de contracties worden minder krachtig, waarna de contracties weer sneller en krachtiger worden, om daarna opnieuw weg te vallen.

Vier dagen na de eerste behandeling deelt patiŽnte mij telefonisch mee of zij met de behandeling wil doorgaan.

Dit eigen initiatief is natuurlijk belangrijk.

In eerste instantie geef ik drie afspraken, binnen een tijdsbestek van vier of vijf weken.

Na de vierde behandeling informeer ik of patiŽnte door wil gaan met de behandeling.

De tweede behandeling. (Ook deze sessie duurt 40 minuten, evenals de volgende)

Bij het omvatten van de kuit ontstaat er meteen een hard worden van het kuitweefsel.

De inadembewegingen worden krachtiger en sneller.

Na een tijdje wordt het gladde ronde en strakke weefsel minder aangespannen het weefsel wordt minder hard.

Door de afname van de krachtdadigheid van het aanspannen zakken mijn handen in de huid en het onderhuidse weefsel.

Na enige tijd spant het weefsel niet meer aan.

Bij het verplaatsen van mijn handen ontstaat er direct een verharding van het kuitweefsel.

Plotseling stopt het aanspannen, en het remmen van de inademing stopt.

De buik is minder ingetrokken en de beenspierspanning is verminderd.

Mijn handen zakken wat in de kuit.

De derde behandeling.

Bij het aanraken voegt het oppervlakte weefsel zich in en naar mijn handen.

De inademing wordt veel minder geremd.

Het spierweefsel is echter onder mijn handen onrustig en er zijn lichte trillingen in aanwezig.

Bij het verplaatsen van mijn handen ontstaat een lichte toename van de spiertonus.

Het spierweefsel gaat hierbij heftiger trillen.

Mijn handen verplaats ik niet meer, er ontstaan nu verdiepte niet geremde inadembewegingen.

Het oppervlakte weefsel voegt zich direct in en naar mijn handen.

Vrij vlug wordt de niet geremde ademhaling minder diep en komt tot rust.

Het trillen wordt minder waardoor het spierweefsel zich naar mijn handen voegt.

De vierde behandeling.

Bij de vierde behandeling verliest het spierweefsel geleidelijk zijn onrust, het oppervlakte weefsel en het spierweefsel voegen zich soepel in en naar mijn handen.

De buik wordt niet meer ingetrokken gehouden en de bilmusculatuur is niet meer aangetrokken.

PatiŽnte wordt slaperig.

De vijfde behandeling.

Bij de vijfde behandeling probeer ik het weefsel dat zich nu wel soepel in en naar mijn handen voegt, zodanig te stimuleren dat mijn handen invoegend en

voegend naar het onderbeen

van de patiŽnte kunnen worden. Nu zoek ik dus wel opzettelijk communicatie.

Het stimuleren gebeurt door een invoegende beweging met mijn handen te maken waarna ik mijn handen langzaam terugtrek. De handen verliezen nog

net niet het contact met de huid.

Daarbij is het de vraag of het lijf van patiŽnte zich nu gaat oriŽnteren op het steunpunt onder haar knie om een kleine endorotatiebeweging te maken

als toewendingsbeweging naar mijn handen,

waarbij de vrije inadembeweging een exponent wordt van dat oriŽnteren als voorwaarde voor de realisatie van vitaal functioneren d.w.z. centrisch functioneren.

Eerst wil ik de behandeling verder verduidelijken.

Ten eerste patiŽnte weet absoluut niet hoe zij lijfelijk reageert, dat gebeurt onbewust.

Natuurlijk kan ze zichzelf wel voelen, maar juist dat zichzelf voelen verhindert een centrische lijfsorganisatie.

Het centrisch kunnen beschikken over het lijf is geen kwestie van Ďzelfbeeldí of zoiets als bewust Ďlichaamschemaí.

Nee het is een opgaan in de totale ontwikkeling van de situatie,

waarvan de eigen bewegingen een onderdeel uitmaken.

Centrisch functioneren is zich verliezen in de communicatie met de ander of het andere en roept altijd een Ďoptimale adembewegingí en een

íoptimale spiertonisatieí op, wat trouwens een voorwaarde is voor de realisatie van volledige communicatie.

Dit is slechts mogelijk als patiŽnte centrisch kan functioneren met haar lijf.

Als zij dat niet kan d.w.z. als haar organisme is ingesteld op een persistente excentrische bewakingsfunctie,

dan is zij niet instaat tot echte communicatie met haar omgevingsobjecten en ontstaat dat aanspannen van de kuitspieren tegen mijn handen

met de daarbij behorende geremde inadembewegingen.

Er moet nu dus een houdings- en bewegings-patroon in het hele lijf van patiŽnte ontstaan dat een communicatief voegen-in en voegen-naar

van haar kuitweefsel naar mijn handen mogelijk maakt, maar dat op geen enkele wijze gestuurd wordt vanuit een excentrische positie.

Het lijf van de patiŽnt moet zelf de organische instellingen terugvinden om vitaal te functioneren.

Dat realiseert zich in eerste instantie door de oriŽntatie van haar lijf op mijn handen via isometrische spierspanningsveranderingen.

Het lijf kan zich alleen via isometrische spierspanningsveranderingen op mijn handen oriŽnteren als er een niet geremde inadembeweging mogelijk is.

Een optimale inadembeweging ontstaat als het diafragma zijn druk op de bekkenbodem kan afgeven.

Daarvoor is noodzakelijk een verminderde spiercontractie van de buikmusculatuur, bilmusculatuur en van de exorotatoren van de bovenbenen,

welke ontstaat als het bekken voorover kantelt door het aanspannen van de endorotatoren van de bovenbenen.

Het zich instellende oriŽnterende meegevende spierweefsel wordt dan in de eerste plaats een voorwaarde en oorzaak voor een optimale inadembeweging.

Deze lijfsorganisatie kan zich optimaliseren door kleine endorotatiebewegingen van het been.

Om deze lijfsorganisatie te realiseren is een steunpunt noodzakelijk dat buiten het lijf ligt in dit geval daar waar de knieŽn de behandelbank raken.

Het lijf moet zich dan oriŽnteren op het steunpunt van de knie die op de bank rust.

De bank wordt het steunpunt voor de realisatie van kleine toewendingsbewegingen die in een andere situatie een afzetbeweging zou zijn.

(De optimale lijfsorganisatie in staande houding voor het centrisch opgaan in de omgeving is het vormen van een steunpunt voor

de afzetbeweging onder de bal van de grote teen.)

De oriŽntatie van het lijf op de knie die op de bank rust resulteert in kleine endorotatie-bewegingen van het been tegen mijn handen.

Mede hierdoor ontstaat een volledig ongeremde inadembeweging.

De diepte van de inademingbeweging drukt de betrokkenheid van het lijf uit op de omgeving.

Het doel van de therapie is dat de patiŽnt weer communicatief haar weefsel kan voegen-in en voegen-naar mijn handen.

Haar lijf moet zich daartoe weer kunnen oriŽnteren op een steunpunt buiten haar lijf voor het toewenden naar een omgevingsobject.

Het veilig of onveilig taxeren door patiŽnte van het omgevingsobject, anders gezegd de taxatie van het lustvolle of niet lustvolle, komt natuurlijk

tot uitdrukking in de krachtdadigheid en de hoedanigheid van de afzetbeweging voor het toewenden.

PatiŽnte moet de hand dan ook als veilig taxeren.

In de toewendingsbeweging komt het communicatief voegen-in en voegen-naar het omgevingsobject tot uitdrukking.

Vanuit de ontdekking, hoe belangrijk het is voor een vitale, adequate bewegingsfunctionaliteit, dat het steunpunt van waaruit bewogen wordt

buiten het lijf gelegen is, en daarbij bedenkend dat in staande houding het afzetpunt daarvoor steeds gelegen is onder de bal van de grote teen,

waarbij de kuitspieren natuurlijk een belangrijke functie uitoefenen, kwam ik op het idee om de bewegingssituatie bij deze behandeling te verbreden

en dichter bij het dagelijks functioneren te brengen, door tijdens de behandeling met mijn andere hand een steunpunt te creŽren onder de voorvoet.

Dit bleek herhaaldelijk een zeer gunstige uitwerking te hebben.

Als er zodoende op mijn andere hand onder de voorvoet een steunpunt gecreŽerd wordt, kan het kuitweefsel via variabele isometrische

spiercontracties en kleine bewegingen mijn betastende hand communicatief betasten.

Via variabele isometrische spiercontracties en kleine bewegingen oriŽnteert het lijf zich ook via de voorvoet op mijn andere hand.

Mijn hand op de kuit blijft de functie houden om de patiŽnt te brengen tot een vitaal voegen-in en voegen-naar de dingen in haar wereld.

Mijn hand onder de voorvoet simuleert de functie van een afzetbeweging die meestal belangrijk is voor de toewending naar de dingen.

Het zich oriŽnteren van het lijf op het steunpunt onder de knie in lighouding of op het steunpunt onder de voorvoet instaande houding

impliceert het ontstaan van meegevende spierspanning voor een optimale inadembeweging. Al deze bewegingen beÔnvloeden elkaar in een kringproces.

Nogmaals: dit hele kringproces verloopt automatisch en onbewust.

Terug naar de behandeling.

De zesde behandeling.

Mijn handen maken een licht omvattende invoegende beweging in haar kuitweefsel waarna ik mijn handen langzaam terugtrek.

De handen verliezen nog net niet het contact met de huid.

De lijfsorganisatie is nu zodanig dat zij haar onderbeen nu licht naar mij toe beweegt.

Deze beweging realiseert zich mede vanaf het steunpunt dat buiten haar lijf ligt, daar waar de knie op de behandelbank rust.

Met ťťn hand ondersteun ik nu haar voorvoet, de andere hand maakt nu een licht omvattende terugdrukkende invoegende beweging in haar

kuitweefsel waarna ik mijn hand weer langzaam terugtrek.

Er realiseert zich een spontane oriŽntatie op de ondersteunende hand voor het communicatief voegen-in en voegen-naar mijn andere hand.

Het lijf van patiŽnte functioneert nu lustvol dynamisch wat de basis vormt voor het weer gericht kunnen zijn op de omgevingsobjecten.

De zevende behandeling.

Mijn ene hand omvat licht haar kuitweefsel en met mijn andere hand geef ik lichte druk tegen de voorvoet waarna ik die hand langzaam terugtrek.

De voorvoet volgt mijn hand. Tegelijkertijd wordt mijn andere hand door het kuitweefsel gevuld.

Door mijn hand wisselend van intensiteit in te voegen en te voegen-naar het kuitweefsel ontstaat het voegen-in en voegen-naar van het weefsel

met de daarbij behorende oriŽntatie.

De grond voor het tasten is gegeven vanuit een punt wat zich buiten het lijf heeft gevormd.

Beginnend tijdens de vijfde behandeling en zich verder ontwikkelend tijdens de zesde en zevende behandeling ontstaat in de communicatie

tussen mijn handen en het kuitweefsel van de patiŽnte steeds duidelijker de zojuist beschreven centrische organisatie van

het houdings- en bewegingspatroon in het hele lijf.

Uiteindelijk reageert patiŽnte in dat contact volledig centrisch-positioneel; dat wil zeggen haar aandacht is niet langer gericht op haar functionerende lijf,

maar zij verliest zich in de communicatie met haar Umwelt.

Haar excentrische bewakingsfunctie is als het ware uitgeschakeld.

Zoals ik reeds meldde; na zeven behandelingen gedurende drie maanden voelde patiŽnte zich niet meer lamlendig,

de benauwdheid was verdwenen, ook traden er geen angstaanvallen

meer op tijdens het verblijf in een kleine of in een grote ruimte en de pijn was ook verdwenen.

Recapitulerend zijn er 5 stadia in de therapie te onderscheiden geweest:

       een bewakingsfunctie waardoor het lijf disfunctioneert 

        een passieve houding van het lijf, (zie vierde behandeling)

         het ontstaan van een oriŽntatie naar de handen 

      het ontstaan van een oriŽntatie naar een steunpunt buiten het lijf waardoor er een 

     optimale inademing en toewendingsbeweging ontstaat

        het ontstaan van het communicatieve voegen-in en voegen-naar dat gericht is op het  omgevingobject op basis van een steunpunt dat buiten het lijf gelegen is.

 

 

De Therapie HBF voor een patiŽnt met lage rugklachten en pijn aan de dorsolaterale zijde van het rechter been.

Copyright:  C. G. de Graaf / Inst. Humane Bewegingsfunctionaliteit

Heer J. 50 jaar

Zijn werkzaamheden: het besturen van een touringcar.

(PatiŽnt heb ik voor het eerst gezien 16-05-2001)

Vanaf 1990 had patiŽnt regelmatig lage rugklachten en af en toe pijn aan de dorsolaterale zijde van het rechter been.

Recente rŲntgenfotoís van de lumbale wervelkolom vertoonden randwoekeringen voornamelijk aan de wervellichamen van L4 en L5.

Daarnaast was er flinke versmalling van de intervertebrale ruimte op het niveau van L5-S1.

In de thoracolumbale overgang was er een geringe wigwervelvorming te zien.

Grof neurologische onderzoek liet niets afwijkends zien.

Hij vertelde dat hij de laatste twee maanden niet meer kon zitten en niet te lang kon staan door de pijn. Hij kon zijn been niet strekken.

Bij buk- en tilwerkzaamheden nam de pijn toe.

Hij kon met deze pijn niet werken.

De pijn straalde uit vanaf de laterale zijde van het os sacrum naar de achterzijde van de rechter trochanter van het bovenbeen en vandaar naar

de dorsolaterale zijde van de enkel.

Verder had hij pijn in de regio van de spina iliaca posterior superior.

Het been voelde niet doof of prikkelend aan.

In de ochtenduren was hij nog pijnlijker en stijver.

Verder vertelde hij dat zijn nek en schouders de laatste tijd stijf en pijnlijk werden.

Na het slapen had hij achterhoofdspijn welke in de loop van de ochtend wegtrok.

Als de patiŽnt voor mij op de behandelbank zit, valt de rond gehouden thoracale en lumbale wervelkolom op.

Zijn romp ondersteunt hij daarbij door op zijn handen te steunen.

De cervicale wervelkolom staat anterior en in retroflexie.

Na grof neurologisch en orthopedisch onderzoek vraag ik de patiŽnt om nog een aantal bewegingen te maken.

(Het grof neurologisch onderzoek liet geen neurologische uitvalsverschijnselen zien).

Wat verwacht ik in principe bij een individu dat centrisch functioneert en geen klachten heeft?

Een aantal bewegingen zal ik noemen.

Ten eerste: bij de vraag om een voorwerp, dat van tevoren is gezien en zich achter de patiŽnt bevindt te bekijken door eerst rechtsom te draaien en daarna linksom,

verwacht ik dat het hoofd wat lateraliseert naar de genoemde kant en het algemene lijfszwaartepunt daardoor boven het steunvlak ter hoogte van de bal

van de grote teen komt te liggen,

waarna het draaien van het lijf naar het voorwerp vandaar uit plaats vindt.

Ten tweede: bij de vraag om een voorwerp, dat van tevoren is gezien en zich achter de patiŽnt bevindt aan te wijzen eerst  rechts en dan links,

verwacht ik dat het hoofd lateraliseert naar de genoemde kant en het algemene lijfszwaartepunt daardoor boven het steunvlak ter hoogte van de bal van

de grote teen komt te liggen, waarna het draaien van het lijf

vandaar uit plaats vindt en dat het been waarvan af bewogen wordt buigt in heup en knie.

Ten derde: bij de vraag om met een boek in de hand, eerst met de rechterhand en daarna met de linkerhand een benoemd voorwerp aan te wijzen

dat recht voor de patiŽnt staat, verwacht ik dat zowel de thoracale- als de lumbale wervellichamen bij het aanwijzen meer naar achter draaien aan de kant van

de voorkeurshand dan aan de niet handige kant.

Ten vierde: bij de vraag om in staande houding met de hand voorbij het oor te reiken over het hoofd heen, verwacht ik geen "(lichte) pijnlijkheid"

van de musculatuur van de bewegende bovenarm en van de daarbij behorende schoudergordel en ook geen pijn in de lumbale regio.

Ten vijfde: bij de vraag om, tijdens het staan op de bal van de grote tenen, met de voorkeurshand over het hoofd heen voorbij het oor te reiken,

verwacht ik dat de thoracale- en lumbale wervellichamen wat lateraliseren en roteren naar achteren aan de kant van de bewegende arm en

niet dat de thoracale wervellichamen naar voren draaien en niet dat de lumbale wervellichamen aan de kant van de beweging wat omhoog getrokken worden

door de musculus latissimus dorsi. Verder verwacht ik bij de andere hand de thoracale- en lumbale wervellichamen wat lateraliseren en roteren naar achteren

maar dan wel aan dat de kant van de voorkeurshand.

Ten zesde: dat er zonder pijn rechtop gezeten kan worden waarbij de lumbale wervelkolom lordotisch is.

Ten zevende: dat bij voorzichtige rustige variabele druk in neerwaartse richting op de processus spinosus van de thoracale- en lumbale wervels er

per wervel een verende beweging of een tegenbeweging in het verloop van de facetgewrichten ontstaat.

Ten achtste: dat bij voorzichtige op variabele wijze het dwarsindrukken van de rugmusculatuur, deze musculatuur een vitaal antwoord geeft door de

variabele tonusregulatie.

Ten negende: bij de vraag om snel, niet hardlopend, een aangewezen voorwerp op te gaan halen in een grote ruimte,

verwacht ik dat bij het afzetten op de voorvoet het been in de knie doorgestrekt wordt.

Op ieder van deze punten wijkt de patiŽnt af van mijn verwachtingen.

De verwachte reacties zijn pijnlijk en de meeste zelfs onmogelijk door verhoogde en disfunctionele spierspanningen.

Beschouwing van het probleem.

1. Mede op basis van de pathologie van de bewegingssegmenten L5-S1 ontstaat pijn bij deze patiŽnt.

2. Behalve tussenwervelschijfpathologie zijn het de disfuncties van het bandapparaat, spier- en zenuwstelsel die ontstaan bij de ontwikkeling van

een individueel houdings- en bewegingspatroon, welke leiden tot tekorten in het houdend- en dragend- en bewegend vermogen van de gewrichten.

(vooral die van de wervelkolom). 

Deze disfuncties zijn direct verantwoordelijk voor de misstanden in de gewrichten en het disfunctioneren van de bewegingssegmenten,

die tot overbelasting van de structuren leiden en op hun buurt tot pathologie.

3. Prof. Verberk heeft in zijn Freyung-lezing (zie op de webpagina van Colleges waar u vindt  Excentrische Positionaliteit ) een kringproces beschreven,

dat als een veelheid van functie bepalende factoren aangrijpt op bewegingssegmenten van lage kwaliteit, die daardoor kwetsbaar zijn.

Als daar pijn ontstaat leidt dat tot een (veelal onbewuste) bewakingsfunctie,

die leidt tot allerlei excentrisch gestuurde ingrepen op het totale houdings- en bewegingspatroon, waardoor al snel meerdere weefsels niet meer Ďlevení, Ď

maar Ďworden geleefdí.

Dit ingrijpen roept elkaar versterkende aanpassingsreacties op van disfunctionele spierspanningen, verkeerd belaste periarticulaire structuren en

disfunctionele stand van wervels etc.

Dit alles veroorzaakt en bestendigt weer allerlei vormen van authentieke nociceptie, zodat een heksenkring-proces ontstaat, dat vaak leidt tot het

chronisch worden van de pijn.

4. Gevolgen zijn geen oorzaken.

Botvorming, tussenwervelschijfvervorming en veranderde botstanden in gewrichten zijn dus lang niet altijd de oorzaken in een klachtenpatroon

maar veeleer de gevolgen van

een verkeerd gereguleerd bewegingspatroon.

Het is dan niet juist om de immobiliteit van de aanpassing rechtstreeks aan te pakken. De therapie dient zich niet te beperken tot correctie van gewrichten,

maar dient primair gericht te zijn op herstel van een centrische positionaliteit in houding en beweging en dus op een zodanige intentionele gerichtheid

op de wereld, dat de houdings- en bewegingsfuncties gedepasseerd worden en volkomen routineus kunnen verlopen, in overeenstemming met

de wetten van de menselijke biomechanica.

Die wetten kunnen bij patiŽnten als de hier besproken patiŽnt niet tot hun recht komen. Zij houden b.v. hun benen gebogen, en voorkomen zodoende

een kanteling voorover van de bewegingssegmenten van de wervelkolom, in een poging om de daardoor optredende pijn te vermijden.

De diepe rugmusculatuur beschikt dan niet meer over de reguleringsfunctie, die vereist is om tot een adequate strekking van de wervelkolom te komen.

(zie hiervoor onder punt zes)

Toch wordt een klachten- en observatiepatroon zoals hier aan de orde is, meestal opgevat als een bewegingsprobleem,

dat opgelost kan worden door het weer beweegbaar maken van ontstane beperkingen van het bewegen.

Op grond van eigen praktijkevaluatie kreeg deze opvatting voor ons het karakter van een misvatting.

Wij zijn eerder geneigd de wortel van het kwaad te zoeken in het verlies van kwaliteit van het totale vitale functioneren.

5. De Valsalva manoeuvre.

Hoe drukt primair de excentrische positionaliteit zich uit in de totale houding en het totale bewegingspatroon? 

Welke lijfsorganisatie ontstaat daarbij.

Dat is een lijfsorganisatie die bijvoorbeeld duidelijk tot uitdrukking komt bij het tillen van een zwaar voorwerp.

Bij zwaar tillen komt de veiligheid van het eigen lijf in het geding. In zoín situatie is een excentrische positionaliteit onvermijdelijk en noodzakelijk:

de persoon gaat zijn lijf sturen.

Dit voltrekt zich in een complex proces. Dit complex dat ontstaat bij zwaar tillen wordt de Valsalva manoeuvre genoemd.

De Valsalva manoeuvre komt tot stand door het aanspannen van de buikspieren, de bilspieren, de bekkenbodemspieren en de beenspieren,

ook wordt hierbij de stemspleet vernauwd, waardoor drukverhoging ontstaat in de abdominale ruimte.

Door het aanspannen van de buik- bil- en bekkenbodemspieren wordt de thorax naar voren getrokken en het bekken achterover gekanteld.

Door de achterover kanteling van het bekken wordt de lumbale lordose afgeplat.

Hierdoor ontstaat een geremd inademen en de ingeademde lucht wordt lang vastgehouden, de ribben worden hierdoor geheven.

De buik en de thorax verliezen hun bewegelijkheid.

Door een verhoogde spierspanning van de romp- schouderspieren, de romp- bovenarmspieren, de spinocostale spieren en

de oppervlakkige rugspieren en vele andere spieren wordt het voorover kantelen van de romp voorkomen.

De tonus van de rugmusculatuur, de bilmusculatuur en de beenmusculatuur wordt hierdoor verder verhoogd.

De bovenste extremiteiten zijn hierdoor wat opgetrokken en naar de romp getrokken. Het hoofd staat hierdoor in retroflexie en verliest zijn functie

om het algemene lichaamszwaartepunt boven het steunvlak ter hoogte van de bal van de grote teen van de afzettende voet te realiseren.

Het zich in evenwicht houden geeft bewegingsarmoede en is daardoor strijdig met de actiebereidheid van de volledige communicatieve mogelijkheden

van het lijf naar omgevingsobjecten buiten het lijf.

Deze extreme vorm van excentrisch lichamelijke organisatie (die voor het tillen van een zwaar voorwerp nodig is),

is exemplarisch voor iedere vorm van excentrisch functioneren, al zijn alle genoemde functieverschijnselen dan vaak vťťl minder extreem.

6. Het verlies van centrische positionaliteit door houdingsverval.

Door werkzaamheden die eentonig van karakter zijn of welke een te grote concentratie vragen ontstaan gemakkelijk disfuncties van het bandapparaat,

spier- en zenuwstelsel.

Als de daarbij gekozen bewegingsvormen uiteindelijk resulteren in niet zichzelf corrigerende standen van de bewegingssegmenten van

de wervelkolom of delen daarvan, ontstaat er onbewust een verkeerd, excentrisch gestuurd bewegingspatroon.

Dat wil zeggen dat de diepe rugmusculatuur zijn functie niet meer adequaat kan uitoefenen.

De diepe rugmusculatuur verzorgt immers de unilaterale contracties zoals de lateroflexie en rotaties, de bilaterale contractie extensie en

de stabilisatie van de afzonderlijke bewegingssegmenten van de wervelkolom.

Er wordt dan een beroep gedaan op de romp- schouderspieren, de romp- bovenarmspieren,

de spinocostale spieren en de oppervlakkige rugspieren en vele andere spieren om de houding te handhaven.

Hierdoor komt de musculatuur die de toewending van de bovenste ledematen reguleert in dienst van het handhaven van de houding.

Ook hierdoor ontstaat op den duur een heksenkring van disfunctionele spierspanningen, verkeerd belaste periarticulaire structuren

en disfunctionele stand van wervels, als een onvermijdelijke, noodzakelijke aanpassing ter handhaving van de houding.

Voor het vitale functioneren moet de diepe rugmusculatuur worden aangesproken waarbij het steunpunt voor het bewegen weer komt te liggen buiten het lijf.

In staande houding is dit meestal onder de bal van de grote teen.

 

Nu terug naar de patiŽnt.

De behandeling.

1. Voor het herstel van de diepe rugmusculatuur die de unilaterale contractie zoals de lateroflexie en de rotatie en de stabilisatie van

de afzonderlijke bewegingssegmenten van de wervelkolom verzorgt wordt de patiŽnt uitgenodigd om rechtop te staan op een afstand van paar

meter van een voorwerp.

Het voorkeursbeen staat zoveel mogelijk gestrekt achter het andere been.

Daarna vraag ik aan patiŽnt om druk op de bal van zijn grote teen te geven om vandaar uit zijn voorkeursarm richting het voorwerp te zwaaien.

Tijdens het afzetten geef ik op een rustige wijze aan de thoracale wervels en de wervels van de thoracale lumbale overgang de bewegingsrichting aan,

een bewegingsrichting die hoort bij het afzetten op de voorvoet en het zwaaien van de arm.

2. Voor het herstel van de bewegende functie (dus niet van de houdende functie) van de romp- schouderspieren en de romp- bovenarmspieren laat ik

de patiŽnt staan op de bal van de grote teen van zijn voorkeursbeen voor een afzetbeweging.

De voorkeurshand moet over het hoofd heen voorbij her oor gebracht worden.

De afzetbeweging moet de beweging van de voorkeurshand ondersteunen.

Aan de thoracale- en lumbale wervels geef ik met mijn duim rustig de beweging aan die hoort bij deze houding en beweging,

waarbij ik vooral niet de wervels stimuleer in de richting van de bewegende arm.

Daarna behandel ik op dezelfde wijze de andere kant van het lijf, om daarna de kant van de voorkeurshand nogmaals te behandelen.

3. Voortgezette behandeling van de wervelkolom.

Het lijf moet vanzelf de wervels zoveel mogelijk bewegen naar hun functionele stand van het gewricht.

Dit automatisme is verstoord door de gevolgen van een persistente excentrische positionaliteit.

De verdere behandeling is gericht op het herstellen van dit automatisme.

De patiŽnt zit daarvoor op de bank met zijn rug naar mij toe.

Om te beginnen breng ik mijn duim naar de processus spinosus van L5.

Waarna ik voorzichtig de processus aftast.

Heel voorzichtig druk ik op de processus, de duim is daarbij neerwaarts gericht en wacht op weerstand.

Bij weerstand stop ik de beweging en wacht nu net zolang totdat de wervel zelf via de persende inadembeweging een drukkende beweging

tegen mijn duim maakt.

Eerst is er een aarzelend drukken van de wervel tegen mijn duim waarna het drukken via de wervel toeneemt tegen mijn duim.

Dit vindt plaats op een manier waarin de vitale kenmerken van het centrisch functioneren ontbreken, dus alsof er sprake is van een excentrisch sturen.

Dertig minuten behandel ik op deze wijze de thoracale en lumbale wervels.

Terwijl het lijf geleidelijk de wervels naar de optimale functiestand beweegt ontstaat aan het eind van de behandeling geen drukken meer van

de wervels tegen mijn duim, maar er ontstaat een rustige adequate niet drukkende  beweging d.w.z. een spontane vanzelfsprekende verende tegendruk

van de wervels op mijn aanraken.

Dit kan zich alleen realiseren als het excentrisch sturen van houding en beweging is opgegeven en dus ook de intentionele instelling op de wereld

weer adequaat functioneert.

Zoals bij de vorige casus is beschreven, zal bij zoín adequate intentionele gerichtheid op de wereld het steunpunt voor de bewegende toewending

naar die wereld weer gezocht worden buiten het lijf en niet ergens binnen het lijf worden opgebouwd.

PatiŽnt deelt mij een week later bij de tweede behandeling mee dat een groot deel van de klachten verdwenen is.

Bij de tweede behandeling wordt een zelfde behandeling toegepast.

Een week hierna deelt patiŽnt mij telefonisch mee dat het hem goed gaat, hij heeft zijn werkzaamheden weer opgevat.

Bij een controle vijf maanden later deelt patiŽnt mij mee nog steeds zo goed als pijn vrij te functioneren.

Copyright:  C. G. de Graaf / Inst. Humane Bewegingsfunctionaliteit.   

Naar:   Colleges   en   Excentrische_Positionaliteit

Zie voor aanvullende en nieuwe inzichten ook:  Vitale Reciprociteit  Deel 1 en Vitale Reciprociteit  Deel 2

Terug naar de introductiepagina:  Bewegingsfunctionaliteit