De Werkgroep Humane Bewegingsfunctionaliteit (HBF)

EDELMAN EN PROBLEMEN ROND ONZE THEORIE OVER

PERSISTENTE EXCENTRISCHE  POSITIONALITEIT.

Terug naar de introductiepagina: Bewegingsfunctionaliteit

Terug naar: Colleges

 

College: Amand Verberk Joure 7-12-01

Copyright: Amand Verberk / Inst. Humane Bewegingsfunctionaliteit

1. Zoals in de website-introductie ( zie Bewegingsfunctionaliteit en Theorie HBF ) beschreven is,

is één van de belangrijke steunpilaren van onze theorie het volgende.

Er zijn ontelbare routines gevormd (met name houdings- en bewegings-routines, maar zoals we zullen zien ook vele andere),

die zijn vastgelegd in overkoepelende hersenkaarten, die functioneel geïsoleerd zijn van de complexe cortico-thalamische clusters (de 'dynamische kern'),

die aan de basis liggen van bewustzijnservaringen, en die routines worden volledig automatisch en onbewust uitgevoerd.

(Lees hier opnieuw het deel van die introductie.)

 

2. Maar bij het doorwerken van Edelmans nieuwe boek A Univers of Consciousness door G. Edelman en G. Tononi uitgegeven in 2000

(waarover dadelijk méér) ontstonden bij mij problemen bij de vergelijking tussen de primair-bewuste scèneconstructie en

die geautomatiseerde routines, die buiten het bewustzijn om dienen te worden uitgevoerd.

Probleem 1. Moeten we niet aannemen, dat excentrische positionaliteit een functie is van het vóórbewuste primair bewustzijn?

Immers ook een hond (elk dier) met louter een primair bewustzijn gaat ánders lopen dan in zijn routines is vastgelegd, als hij aan een poot gewond is.

Maar kunnen we dan wel stellen, dat excentrische positionaliteit een exclusief menselijke mogelijkheid is?

Probleem 2. De genoemde geautomatiseerde routines worden o.a. gekenmerkt door het feit, dat ze onbewust verlopen.

Maar ook de scèneconstructie van het primair bewustzijn verloopt niet bewust (het is pre-conscious).

Anders gezegd: die scèneconstructie is evenzeer een "routineus geworden" activiteit, die "automatisch verloopt".

Toch is die scèneconstructie het hart van alle functioneren in centrische positionaliteit. Wat is het verschil?

Vóórdat ik deze problemen-zelf aanpak, zijn m.i. enkele herhalingen uit eerdere colleges en een algemene indruk van Edelmans nieuwe boek nodig.

Ik moet daarbij het z.g. qualia-probleem inbrengen, zonder de uitvoerige literatuur daarover te behandelen, die het probleem meer handen en

voeten zou geven.

Ik hoop, dat de daardoor kreupele introductie toch voldoende is.

Wegens tijdgebrek is, denk ik, de didactische opzet van het volgende verre van bevredigend: er is sprake van een rommelige volgorde in de bespreking.

 

3. Eerst bespreek ik het onderscheid tussen pre-conscious, un-conscious en non-conscious, zoals ik dat gepresenteerd heb in het schema bij de behandeling

van de aandacht tijdens de behandeling van Edelmans 'Klare Lucht ... etc.'

(Dat schema wordt hier herhaald op het einde van deze college-weergave).

 

4. Edelmans nieuwe boek , samen met G. Tononi : A Univers of Consciousness, waarvoor ik de afkorting U.C. zal gebruiken.

Een van de belangrijkste punten is in mijn woorden:

Het primair bewustzijn (hoewel onbewust werkend in termen van pre-conscious) verdient werkelijk de naam 'bewustzijn',

omdat ook bij primair bewustzijn het eigenlijke bewustzijnsprobleem, d.i. de kern van het eeuwen-oude lichaam-geestprobleem,

wordt opgelost. In andere woorden gesteld, gaat het om de oplossing van het qualiaprobleem, dat ik nu kort zal aanduiden.

 

Edelman begint zijn boek op pagina 1 met citaten van de neurofysioloog Sherrington en van de filosoof Russell,

en met een verwijzing naar de omschrijving, die Schopenhauer voor de daar gesteld problemen gebruikte:

The World-Knot. Wat de genoemde citaten omschrijven, is, zoals Edelman, in afwijking van de meeste filosofen en cognitiewetenschappers,

nu stelt: het eigenlijke qualia-probleem:

Hoe wij (en de meeste dieren) als uitkomst van puur fysische en chemische hersenprocessen komen tot strikt subjectieve ervaringen van hoedanigheden

(van de dingen en van onszelf), die we kunnen benoemen als zien, horen, ruiken etc.

Al die subjectieve ervaringen bedoelt Edelman met de oude term 'qualia'. (Lat. qualia =hoedanigheden.) 

Dat 'zien', 'horen' , 'ruiken' etc. is het eigenlijke mysterie van het bewustzijn.

In zijn vorige boeken geeft Edelman nog de indruk, dat hij met enige terughoudendheid het primair bewustzijn verbindt aan het beleven van qualia.

(Je moet echt zoeken, om een enkele regel te vinden, waarin hij dat voorzichtig doet.)

Maar nu, in U.C., is die vereenzelviging (!) van qualia-beleving en primair bewustzijn het allesoverheersende onderwerp,

waarbij hij -zoals gezegd- aan het oude begrip qualia ook een veel bredere betekenis geeft dan in de literatuur gebruikelijk is.

(U.C. p.168) (Lees hierover eventueel in 'Klare Lucht ... etc.' nog eens pag. 143-145.)

 

5. Pas in de laatste 3 van de 17 hoofdstukken behandelt Edelman het hogere-orde-bewustzijn.

In het boek wordt duidelijk, dat het eigenlijke bewustzijnsprobleem niet ligt bij het hogere-orde-bewustzijn en

dus niet bij wat wij in het spraakgebruik (trouwens ook bij Dennett e.a.) bedoelen, als zij zeggen:

"Ik heb dit bewust gedaan".

Door heel het boek behandelt Edelman allerlei voorbeelden en eigenschappen van respectievelijk primair en hogere-orde-bewustzijn,

zonder onderscheid en zonder zo'n precisering, naast elkaar, ter voorbereiding op de genoemde vereenzelviging van primair bewustzijn en

de beleving van qualia.

 

6. Het hogere-orde-bewustzijn is in feite niet een apart soort bewustzijn.

Het is een verrijking van de mogelijkheden van het primair bewustzijn, een verrijking die doordringt in alle akten van het primair bewustzijn.

Zoals we eerder leerden, betreft die verrijking:

1) het ontstaan van een sociaal geconstrueerd Zelfbeeld als de persoon IK,

2) een beeld (= vele beelden) van een verleden en toekomst,

3) reflexief bewustzijn = objectiverend weet hebben van eigen gedrag,

              4) een met 1), 2), en 3) samenhangend wereldontwerp.

En dit alles samengaand met en dank zij een zich ontwikkelend taalvermogen.

In Edelman's termen : de tirannie van het opgesloten zijn in het heden wordt daardoor verbroken.

Met name betekent het hogere-orde-bewustzijn een verrijking van het waarden-categorie geheugen, waarop de scèneconstructie

van het primair bewustzijn berust.

Die neurale theorie over het primair bewustzijn herhaal ik in het volgende punt,

terwijl ik op die eenheid van primair bewustzijn en hogere-orde-bewustzijn uitvoerig terugkom in verband met de genoemde problemen.

 

7. Het primair bewustzijn ontstaat in de evolutie (grofweg gezegd) bij de overgang van reptielen naar -vogels en -zoogdieren. (U.C. p.107)

Het berust op het ontstaan van een enorme hoeveelheid van reciproque (reëntrante) verbindingen tussen

A. de multimodale cortex-gebieden, die perceptuele categorisatie tot stand brengen, en

              B. de gebieden, die verantwoordelijk zijn voor het waarden-categorie-geheugen. (multimodaal wil in eerste instantie zeggen,

dat ze betrokken zijn op alle verschillende zintuigen en alle lichaamservaringen.)

Deze reëntrante verbindingen betreffen het thalomo-corticale systeem (thalamus + cortex).

Uit die interactie tussen A. en B. ontstaat het vermogen tot scèneconstructie.

Er is voortdurend sprake van zich voor waarneming aandienende indrukken (stimuli).

Die zijn in principe waarneembaar, als ze (eerder) gecategoriseerd zijn (perceptuele categorisatie).

Dat betreft niet alleen stimuli uit de buitenwereld, maar ook in de verbeelding opkomende indrukken, waarbij we volgens Edelman ook

aan droombeelden moeten denken.

Dit alles betreft de sub A. genoemde hersengebieden.

Uit dat complex van in principe waarneembare stimuli wordt een compositie gekozen (in een figuur-achtergrond-patroon Amand Verberk),

die gecomponeerd wordt vanuit het B.-complex, d.i. het waarden-categorie-geheugen, waardoor het feitelijk waarnemen ontstaat.

Het hele boek werkt toe naar de z. g. dynamic core hypothesis, de hypothese betreffende een dynamische kern in het thalamo-corticale systeem,

die de scèneconstructie draagt.

Ik zal later uitvoeriger ingaan op de veelheid van overwegingen en experimenten van Edelman,

die daarop betrekking hebben; en ook hoe die hypothese een verklaring kan bieden voor het qualia-probleem, zoals dat sub 4. is ingeleid.

Maar dat zal niet vandaag zijn.

 

8. Probleem 1. Is iedere vorm van excentrische positionaliteit een exclusief menselijke mogelijkheid, d.w.z. vereist dit een hogere-orde-bewustzijn?

En zo ja, waarom?

a. We moeten eerst terugkomen op wat ik eerder genoemd heb 'de eenheid' van primair en hogere-orde-bewustzijn.

De neurale proces-gang bij acten die kenmerkend zijn voor het hogere-orde-bewustzijn is precies hetzelfde als die bij het primair bewustzijn.

Alleen de inhouden van de scèneconstructies zijn uitgebreider.

Ook bij de scènes van het hogere-orde-bewustzijn gaat het om talloze reciproque (reëntrante) verbindingen tussen de gebieden die ik eerder genoemd heb

sub A en B.

Het belangrijkste verschil zit in B, maar dat ontstaat omdat A verrijkt is:

    A. De multimodale cortex-gebieden, die perceptuele categorisatie tot stand brengen.

Deze zijn bij een hogere-orde-bewustzijn verrijkt met een onafzienbare hoeveelheid van 'talige begrippen',

die horen bij alle eerder herhaalde kenmerken van het hogere orde bewustzijn.

    B. De gebieden, die verantwoordelijk zijn voor het waarden-categorie-geheugen.

Alle sub A genoemde verrijkingen hebben een in het waarden-categorie-geheugen vastgelegde persoonlijke betekenis gekregen.

b. We kunnen bij probleem 1, zoals in de website introductie, het best teruggrijpen op de oorspronkelijke Buytendijkse omschrijving voor excentrische positionaliteit:

"Soms staat de mens tegenover zijn lichaam als tegenover een instrument."

Pas bij de ontwikkeling van een hogere-orde-bewustzijn (maar dán ook al vroegtijdig) ontstaat de mogelijkheid voor het waarnemen (en de reflexie daarop)

van het eigen lichaamsbeeld: 'mijn lichaam'. Immers het begrip 'mijn lichaam' kan pas object zijn, als er een Zelfbeeld als Ik is ontstaan.

Dan pas ontwikkelt zich een niet-analyseerbaar kluwen van kenvormen rond 'Ik en mijn lichaam' en een veelheid van daarmee samenhangende waarden.

Van extreem belang daarbij is, dat die aan de lichaamscategorieën en begrippen verbonden waarden in het waarden-categorie-geheugen zijn vastgelegd,

en dat dat geheugen in z'n functioneren (!) volgens Edelman non-conscious is, d.w.z. nooit voor enige vorm van bewustzijn bereikbaar is.

c. Aan de basis van iedere excentrische positionaliteit (ook de normale, denk aan Valsalva-manoeuvre) (zie onder Therapie HBF  bij de casusbeschrijving van

de patiënt met lage rugklachten)  staat de onveiligheidbeleving.

Onveiligheidbeleving veronderstelt, dat in de scèneconstructies de veiligheid van het lichamelijk welzijn een rol gaat spelen vanuit het waarden-categorie-geheugen.

Dit kan volkomen onbewust, in de betekenis van vóórbewust, zijn beslag krijgen, zoals iedere scèneconstructie en de daarin optredende ervaringen

volkomen vóórbewust kunnen verlopen.

Maar alleen al het begrip 'lichamelijk welzijn' veronderstelt een hogere-orde-bewustzijn, zoals sub b. is verwoord.

Bovendien behoort het tot de kenmerken van het hogere-orde-bewustzijn, dat verleden en toekomst als beelden daarin een rol gaan spelen.

En dát maakt, dat excentrische positionaliteit persistent kan worden.

De basis van dat persistent worden ligt niet in de eenmaal ingenomen excentrische positionaliteit, maar in de onveiligheidbeleving,

die vanuit verleden en heden de toekomst ingaat en zich als een olievlek in het waarden-categorie-geheugen uitbreidt.

(Daarvoor is niet eens lange tijd nodig: zie Passau-lezing;  Excentrische_Positionaliteit )

Dit maakt, dat de excentrische positionaliteit zich gaat uitstrekken over allerlei functies, die met de eerste aanleiding voor

een gezonde excentrische positionaliteit niets te maken hebben.

En aangezien het waarden-categorie-geheugen non-conscious is (in z'n functie nooit bewust kan worden), kan het gemakkelijk voorkomen,

dat zowel de veralgemeniseerde onveiligheidbeleving als de persistente excentrische positionaliteit niet (reflexief) bewust gemaakt kunnen worden.

Dit lost ons al veel vroeger gesignaleerde probleem op, dat iedere vorm van excentrische positionaliteit niet thuishoort op de indeling

(reflexief)bewust - onbewust.

Overigens moet men bij dit alles blijven bedenken, dat die 'olievlek-spreiding' van de onveiligheidbeleving in het waarden-categorie-geheugen niet wetmatig is,

maar afhankelijk is van de instelling (en dus het verleden) van de persoonlijkheid,

en dat dus de persistentie van de excentrische positionaliteit van de ene persoon veel minder 'uitgebreid' kan zijn dan van de andere.

d. En hoe is het met de hond, die als hij aan zijn poot gewond is, ook anders gaat lopen dan in zijn automatische routines is vastgelegd ?

Hoewel de vraag waarschijnlijk meer verdient, wil ik daar na al het bovenstaande kort over zijn.

De pijn aan zijn poot brengt hem niet in een excentrische positie, want het hogere-orde-bewustzijn, dat daarvoor nodig is,ontbreekt.

Wegens dat ontbreken is ook zeker, dat de pijn-ervaring-zelf ánders is, dan bij de mens.

Er kan geen onveiligheidbeleving voor zijn lichamelijk welzijn ontstaan, ook niet onbewust, want de categorie (het begrip) 'lichamelijk welzijn' behoort niet

tot zijn uitrusting.

(Wel moeten we daarbij niet vergeten, dat in zijn waarden-categorie-geheugen ontelbare ervaringswaarden zijn opgeslagen,

die -vanuit onze kennis bezien- te maken hebben met zijn lichamelijk welzijn, maar die voor hem alleen de vorm hebben van volkomen onbewuste onlustsensaties.)

De hond gaat inderdaad ánders lopen dan in zijn looproutines is vastgelegd, maar dat komt omdat de pijnervaring de werkzaamheid van die routines

(minstens voor een deel) verhindert.

Hij loopt kreupel, zonder zelf ooit te weten, dat hij kreupel loopt. Hij kán daarom dat kreupel lopen ook op geen enkele wijze sturen.

Probleem 2. Wat is het verschil tussen de onbewuste (van het bewustzijnscentrum afgesplitste) bewegingsroutines,

die automatisch (dienen te) verlopen en de evenzeer 'routineus geworden' activiteit van de scèneconstructie in het primair bewustzijn?

a.Ik beschrijf eerst een poging tot oplossing, die ik achteraf moest verwerpen als onvoldoende.

Maar juist omdat die oplossing onvoldoende was, terwijl zij voor de hand lag, is zij het vermelden waard.

Die poging betrof het onderscheid tussen vóórbewust en onbewust.

Hoewel Edelman nergens expliciet de term pre-conscious gebruikt m.b.t. het primair bewustzijn, is evident uit zijn beschrijvingen, dat hij dat wel degelijk zo verstaat.

(Alleen al het feit, dat hij het hogere-orde-bewustzijn expliciet omschrijft als 'consciousness of consciousness' impliceert dat onomstotelijk.)

Dat pre-conscious-zijn van het primair bewustzijn wil twee dingen zeggen :

1) Het gaat vanzelf en onopgemerkt, maar ook

2) we kunnen er gemakkelijk reflexief van bewust worden. Het 'vanzelf zien' van een scene kan gemakkelijk overgaan in 'ik zie deze scène’ .

En in dat reflexief bewustzijn kunnen we dat zien zelfs in belevingsdetails ontleden.

Maar de bedoelde geautomatiseerde routines zijn niet pre-conscious maar un-conscious geworden.

Ze zijn in hun functies niet toegankelijk voor het reflexief bewustzijn.

Ze zijn -zoals eerder gezegd- afgesplitst van het bewustzijnssysteem in de hersenen, de z.g. dynamic core.

Zij staan daarmee, zo zegt Edelman, alleen in verbinding via 'ports-out' en 'ports-in'.

Ik kan die routineactiviteiten vanuit het primair bewustzijn (dus pre-conscious) oproepen en er zo van alles mee doen in het geheel van mijn activiteiten.

En omdat dat oproepen een pre-conscious activiteit is, kan ik me ook reflexief bewust worden, dát ik die activiteit oproep, maar hoe die activiteit verloopt,

kan ik me nooit reflexief bewust worden.

b.Flexibiliteit.

De uiteenzetting sub a., dat het bij die routines gaat om het feit, dat ik me niet bewust kan worden hoe die activiteit verloopt,

is niet voldoende om ze te onderscheiden van de act van de scèneconstructie in b.v. het zien.

Want daarvan weet ik ook absoluut niet hoe die tot stand komt, ook niet als ik me reflexief met de waargenomen scène ga bezighouden.

Waarin ligt dan wèl het verschil? Ik denk, dat hierbij het begrip 'flexibiliteit' de oplossing biedt.

Ik kan ingrijpen op de scèneconstructie van het primair bewustzijn zonder iets te veranderen aan de neurale procesgang die daaraan ten grondslag ligt.

Zittend in de trein met beregende ramen, kan ik naar willekeur òfwel kijken naar het patroon van de regendruppels op de ramen,

òfwel -de toestand van die ramen negerend- kijken naar het landschap daarachter.

De zien-act blijft qua neurale procesgang ongewijzigd.

Omdat die flexibiliteit een ingebouwde eigenschap is van het (primair) bewustzijn,

kan ik de scèneconstructie ingrijpend veranderen zonder de neurale procesgang te verstoren.

Bij de geautomatiseerde routines kan ik niet ingrijpen zonder dat ik ingrijp op de neurale procesgang.

Dat wordt m.i. duidelijk, als men bedenkt dat in die routines waarnemen en doen onlosmakelijk gekoppeld zijn.

En het is dát waarnemingspatroon (afgestemd op het doen) dat de scèneconstructies (via 'ports-in’) bepaalt.

Die routines zijn niet zomaar te veranderen, juist omdát zij niet meer delen in de flexibiliteit van de 'dynamic core',

dié het bewustzijn mogelijk maakt, en waarvan de neurale procesgang zo verloopt, dat dat verloop-zelf flexibel is.

Maar die routines zijn -afgesplitst daarvan- vastgelegd in zeer gecompliceerde neurale patronen.

Er is wel sterke flexibiliteit: b.v. lopen gaat vanzelf ánders op een harde ondergrond dan op mul zand, ánders op een stijgend dan op een dalend loopvlak.

Maar die flexibiliteit ligt vastgelegd, ingebouw in het neurale patroon, waarover ik niet kan beschikken.

Ik denk dat het kwalijke van een persistente excentrische positionaliteit ligt in de waarneming.

Het bewegen wordt niet meer voltrokken vanuit, noch bepaald door de in die routines vastgelegde waarnemingsvormen,

die nauwkeurig gericht zijn op die signalen, die voor een kinetisch goede bewegingsvorm belangrijk zijn. In acute,

voorbijgaande situaties is dat alleen maar nuttig, als en omdat die juist vrágen om een ándere kinetische opstelling.

Maar bij een persistente excentrische positionaliteit is er voortdurend, ongevraagd, sprake van een scèneconstructie,

die van die voorgeprogrammeerde signalenconstructie geen gebruik maakt.

De waarneming wordt,onnodig, steeds opnieuw los daarvan 'ontworpen', gericht op het bewegende lichaam, de omgeving en het voorgestelde doel.

Toch is het niet zo, dat men die routines volkomen links laat liggen.

Dat kán niet eens.

Men leert b.v. niet opnieuw te lopen of het evenwicht te bewaren.

Daarom denk ik dat we terecht ervan mogen spreken, dat er 'ingebroken' wordt in gecompliceerde neurale netwerken, en dat de vele ándere beschrijvingen,

die we daarvoor tot nu toe gebruikt hebben, juist zijn.

Schema bewerkt door J. de Boer

Copyright: Amand Verberk / Inst. Humane Bewegingsfunctionaliteit

 Naar:  Colleges

Terug naar de introductiepagina:  Bewegingsfunctionaliteit